De Grote of St. Michaëlskerk te Oudewater
In Oudewater wordt iedere zondag de eredienst
gehouden in de Grote of St. Michaëlskerk aan de Noorderkerkstraat 1.
De kerk kan tevens worden
bezichtigd in de meivakantie en van half juni tot half september op woensdag tot
en met zaterdag van 11.00 tot 16.00 uur.
De
‘Grote kerk’ is een ruime middeleeuwse kerk, met een karakteristieke
zadeldaktoren die uit de veertiende eeuw stamt en een Kam en Van der
Meulen-orgel uit 1840, dat ongeveer 30 stemmen telt. Zeker is, dat reeds rond
het jaar 1000 op dezelfde plaats al een kleine kerk stond. Zo wordt al meer dan
10 eeuwen op deze plaats rondom de prediking van het Evangelie de eredienst van
God gehouden.
Ontstaan en geschiedenis

De kerk vanaf de zuid-oostkant gezien (links); De preekstoel (rechts)



Doopvont, avondmaalstafel en preekstoel (links); Het oude carillion (rechts)

Het orgel vanuit de kerk gezien (links); De klokkentoren (rechts)
Een Middeleeuwse kerk
Toen Oudewater nog een dorp was, stond hier een dorpskerk: een
Romaanse kapel uit 1100. Bij de laatste restauratie van de huidige kerk is
de fundering blootgelegd van dat vroegere kerkje (onder het
huidige middenschip).
Maar het dorp
werd stad: Oudewater kreeg in 1265 (ter verdediging van het Sticht) stadsrechten, en
wel van Hendrik van Vianden, de bisschop van Utrecht. In deze tijd werd ook de
dorpskerk uitgebouwd tot stadskerk: een
kruiskerk in Gotische stijl. Voor dat nieuwe gedeelte gebruikte men geen
tufsteen meer, maar baksteen. Oudewater is niet lang een Utrechtse vestingstad geweest: reeds
in 1280 kocht de Hollandse Graaf Floris V Bodegraven, Woerden en Oudewater van de Utrechtse bisschop.
Eigenlijk leende de graaf geld aan de arme bisschop en golden deze stadjes als
onderpand; toen hij uiteindelijk zijn geld niet terugkreeg, behield hij deze
onderpanden. Oudewater werd dus een Hollandse vestingstad tégen het bisdom
Utrecht! Uit deze tijd (± 1300 dus) dateert de
forse kerktoren, die bij de nieuwe kruiskerk werd gebouwd.
Opvallend is het zadeldak: zoiets ziet men alleen in Friesland. De toren deed in die tijd
dienst als vestingwerk! Ook de wallen om de stad werden ommuurd, in 1321 gaf Graaf Willem III de stad geld om "hare poirten te bemuren". Bij de Linschoter Poort stond een burcht. Op de
Utrechtse Poort prijkte demonstratief een Hollandse leeuw. Tussen 1400 en 1500
werd de kruiskerk verder uitgebouwd, en wel tot een zogenaamde hallenkerk. In zo'n kerk zijn de zijschepen even groot als het middenschip. Nu
kwamen de pilaren in de kerk. Het tufsteen van de afgebroken muren gebruikte men
nu voor de nieuwe zuidmuur. Dat is nog te zien. Niet alleen in het koor, maar
ook in de zijschepen kwam een altaar te staan. Vanuit de zogenaamde gerfkamer kon men
door het traliewerk het altaar daar zien staan. Die gerfkamer dateert deels al
uit de twaalfde eeuw (deze stond toen dus los van de kapel); het was een kleedkamer voor de
dienstdoende priester(s). Men ziet hier muurschilderingen van Marcus en Mattheüs.
In de zestiende eeuw
werden de sacristie en het ronde kooreinde aangebouwd plus twee
kapellen: de noorderkapel (waar men ook de fundering van een groot altaar heeft
gevonden) als leerkamer, en de doopkapel. De doopkapel is verdwenen, maar
buiten aan
de westzijde herinnert de
bestrating
hier nog altijd aan en ziet men de
omtrek van de toegang naar de kerk nog. Het doopvont, wat
hier in
1850 werd opgegraven,
staat nu de kerk.

Vanuit het koor (links); Vanaf de preekstoel
(midden); De kapconstructie (rechts)
Her-vormd
Zo had de Grote Kerk net haar definitieve vorm bereikt, toen de Reformatie kwam. De priester Aemilius, "eenige smaak in de leere der Reformatie gekregen hebbende, besloot bij zichzelven voortaan geen misse meer te doen" (1566), maar de kerk bleef toen nog in R.K. harden; de pastoor verliet de stad. Toen echter in 1572 in Holland de Opstand tegen Alva uitbrak en de Geuzen ook de sleutels van Oudewater in handen kregen "in naam van Oranje", kregen de hervormingsgezinden de beschikking over de kerk. De priester dook onder in het zusterklooster alhier. Waarschijnlijk heeft men toen de beelden e.d. keurig opgeborgen. Huig Dirks werd de eerste predikant: hij stelde snel een kerkenraad aan. Spoedig kwam er een tweede predikant naast hem. Overigens twijfelde de provinciale synode aan hun bekwaamheid. Toen de stad in 1574 door de Spanjaarden werd belegerd, organiseerden de Geuzen - daar de redding al nabij scheen - een spotprocessie op de stadsmuren met behulp van gewaden en beelden uit de kerk (toch nog een soort beeldenstorm); maar toen de stad toch in Spaanse handen viel was de wraak des te bitterder: de stad werd uitgemoord en verwoest. De "Oudewaterse moord". De nieuwe predikant, ds. Gelasius, door een begijn verraden, werd opgehangen aan een galg op het marktveld. Maar de Grote Kerk bleef gespaard. Wel werd de kerk hierna als kazerne gebruikt en het meubilair verstookt. Toen in 1576 de Spaanse troepen toch Holland verlieten, was Oudewater weer voor de Prins, en de kerk weer voor de Hervorming. De stad werd herbouwd, de kerk hersteld. Nu werd altaar geslecht en kreeg de preekstoel de centrale plaats. De nieuwe predikant liet er een hekwerk omheen zetten. De middeleeuwse kerk was destijds duidelijk gebouwd voor de R.K. eredienst: aller oog was gericht op het altaar in het koor voor de Mis. Maar van nu af werd het gebouw bestemd voor de reformatorische eredienst: de gemeente vergadert rond het gepredikte Woord van God. Eigenlijk was de kerk daar niet op gebouwd, maar dat het toch gebeurde illustreert, dat de Reformatie "geen verhuizing, maar een grote schoonmaak" wilde zijn (Van Ruler): d.w.z. geen afscheiding, maar her-vorming. Gods Woord in het middelpunt. De Doop werd niet meer bediend in een aparte kapel (de doopkapel verdween) maar in het midden der gemeente. In het koor werd nu het Avondmaal bediend: toen in 1636 250 mensen geloofsbelijdenis deden, was het koor te klein voor zittende Avondmaalsviering! Bloeide het geestelijke leven toen zo? Dat is moeilijker na te gaan. In elk geval is in deze oude kerk het Woord van God geslachten lang en eeuwen lang verkondigd, tot op vandaag. Elke zondag is de kerk goed bezet. Ook u bent hartelijk welkom.

|
kleur |
jaartal (ca.) |
|
blauw |
1100 |
|
rood |
1250 |
|
zwart |
1300 |
|
groen |
1350 |
|
geel |
1400 - 1500 |
|
paars |
1500 - 1600 |
Toelichting:
1. Middenschip; hieronder: fundamenten van oude Romaanse dorpskerk (1100).
2. Zie kapconstructie; rest van Gotische Kruiskerk (1250), stadskerk.
3. Hallenkerk (1400); drie gelijke beuken, gescheiden door pilaren.
4. Noorderkapel (1500). Oud altaar gevonden; leerkamer. Nu: kerkenraadskamer.
5. Rond kooreinde (1500).
6.
Gerfkamer (12e eeuw). Oorspronkelijk kleedkamer voor Priester(s).
Muurschilderingen van Markus
(rechts) en Mattheüs
(links).
Kast met avondmaalsservies.
Rooster (traliewerk); zicht op voormalig altaar in de Zuidelijke Beuk.
7. Sacristie (1500). Nu: consistoriekamer.
8. Doopvont, in 1850 opgegraven onder voormalige doopkapel, zie nr. 14.
9.
Preekstoel. Bij recente restauratie in de jaren 1960/68 uit Nieuwe Kerk in
Dordrecht
overgebracht.
9A. Dode hoek. Hier is de preekstoel niet zichtbaar; in de R.K.Kerk stond altaar centraal.
10.
Toren
(1300). Deed oorspronkelijk dienst als vestingwerk. Fries zadeldak.
Luidklokken
(1500).
11. Orgel (1840).
12. Oude carillion (1600), deed dienst tot 1940. Vervangen wegens onzuivere klank.
13.
Grafmonument Rudolph Snellius
van Rooyen (1547
-
1613 ),
Hoogleraar te Leiden
in
wiskunde en
oosterse
talen, ook rector aldaar en adviseur
van
Prins Maurits.
Geboren
te Oudewater.
14. Voormalige Doopkapel (1500), zie bestrating en muur.
15. Ingang
Door:
ds. C. Blenk, "Korte samenvatting van de geschiedenis van de
Grote of St. Michaëlskerk te Oudewater; Losse publicatie, jaar onbekend.
De gerfkamer (links) en de consistoriekamer
(rechts)

De gerfkamer en consistoriekamer van buitenaf
gezien

Muurschildering "Marcus" in de gerfkamer
(links) en
grafmonument
Rudolph Snellius van Rooyen (rechts) achterin de kerk
De kerk in de twintigste eeuw
De Grote of St.
Michaëlskerk met de gemeentetoren bepaalt al eeuwen het silhouet van Oudewater.
Dat was ook in de twintigste eeuw het geval en we mogen ervan uit gaan dat dat
ook in de komende eeuw het geval zal zijn. De kerk is in gebruik bij de
Nederlands Hervormde gemeenschap van Oudewater die overwegend behoort tot de
"Gereformeerde Bond", een van de modaliteiten waaruit dat kerkgemeenschap in
Nederland is opgebouwd. De kerk telde in het begin van de eeuw 1775 leden,
waarvan 560 lidmaten (inclusief
Hekendorp). Het kerkje in Hekendorp is in feite een dependance van de Grote
kerk. Het Oudewaterse kerkgebouw heeft ruim de eerste helft van de afgelopen
eeuw er somber uitgezien. Rondom grijs gepleisterd en met leien gedekt. In
1928/1928 is het dak gedeeltelijk vernieuwd of eigenlijk meer vernield omdatmen
simpelweg het rotte deel van de kapspanten afzaagde en het dak dus gewoon een
stukje liet zakken! In de jaren '50
verkeerde het kerkgebouw in een deplorabele toestand. Ook met de toren -
eigendom van de burgerlijke gemeente - was dat het geval. De toren stond geheel
ingebouwd en het was de bedoeling van de gemeente en de Nederlands Hervormde
kerk het kerkgebouw en de toren vrij te maken voor restauratie. Die vond plaats
in de periode 1960 - 1967. Het pleisterwerk verdween en na veel opknapwerk stond
er een schitterende driehallenkerk te pronken in het centrum van de stad. De
kerkdiensten waren een poosje onmogelijk en - zoals dat in 1925
gebeurde
toen de Gereformeerden in de Nederlands Hervormde kerk hun diensten hielden in
verband met verbouw van hun kerk, nu kerkten de hervormden in de Gereformeerde
kerk. In de Tweede Wereldoorlog deed de kerk een poosje dienst als klaslokaal
voor leerlingen van de School met de Bijbel. Daarvan was het schoolgebouw aan de
Westsingel gevorderd door de Duitsers en werd an de leerlingen op allerlei
plaatsen les gegeven. In de kerk staat - volgens kenners - een van de mooiste
middelgrote orgels van Nederland. Ook het orgel is intussen meerdere keren
gerestaureerd, voor het laast in 1994/1995. Nu de twintigste eeuw ten einde is,
zijn er bijna 2100 leden, waarvan 730 lidmaten (inclusief Hekendorp), die
wekelijks nog altijd twee keer per zondag ter kerke kunnen gaan. Ze kunnen
luisteren naar twee predikanten, maar in de periode 1927 - 1978 was er maar één
dominee. Ds. P.J. Steenbeek diende in deze eeuw de gemeente het langst en wel
van 1929 tot 1949. Overigens "stond" ds. J. Hoek in Oudewater van 1892 - 1926.
Een overzicht van alle predikanten vanaf 1879:
|
Periode
(O)udewater
Predikant |
||
|
|
|
|
Na de grote restauratie werd het naast de kerk staande verenigingsgebouw Rehoboth afgebroken en werd een op de hoek van de Noord IJsselkade met de Noorder Kerkstraat staand kaaspakhuis omgebouwd tot het verenigingsgebouw De Hoeksteen. In 1989 kwam het veel grotere verenigingsgebouw De Rank er tegenover voor de kerkgemeenschap beschikbaar. Enkele jaren later is ook De Hoeksteen weer geheel opgeknapt en inmiddels wordt dit pand voor verschillende activiteiten, met name voor het jeugdwerk, gebruikt.
Door: P.G. Knol, "Oudewater in Touw"; Uitgave: Heno, Oudewater,1999
De stadstoren
De
karakteristieke stadstoren naast de Nederlands Hervormde Kerk in Oudewater is
een bakstenen bouwwerk. De toren bestaat - zoals dat heet - uit vier geledingen,
die duidelijk aan de buitenkant herkenbaar zijn. Opvallend is dat
de toren niet vierkant, maar rechthoekig is. In de
onderste geledingen vinden we
Romaanse kenmerken terug, terwijl de
bovenbouw gekenmerkt wordt door gotische details. De gevels zijn vrij rijk
versierd met tufstenen "cordonlijsten" en bakstenen "traceringen". De tweede en
derde geleding zijn voorzien van "lisenen met een spitsboogfries". Heel apart is
de openbare onderdoorgang in de voet van de toren, mét een bedelbankje. Vanaf
die positie konden de armen de kerkgangers bij het verlaten van de kerk
aanklampen.De toren heeft - zeker voor deze streek - een uniek uiterlijk, vooral
vanwege de afdekking met een zadeldak. Dit is verder alleen in de noordelijke
provincies terug te vinden. Dit dak is des te unieker, omdat de nok ervan dwars
op de as van de kerk staat. Aan beide uiteinden heeft het een schuin eindvlak,
een zogeheten wolfseind. In vaktermen spreken we ook wel over een "gewolfd
zadeldak". Deze ingewikkelde kapconstructie is nog helemaal oorspronkelijk en is
dus in die zeven eeuwen qua uiterlijk niets veranderd. Oudewater kan er prat op
gaan dat deze torenkap een van de oudste, zo niet de oudste en meest originele
van ons land is.
De bouw van de standstoren naast de huidige Nederlands Hervormde St. Michaëlskerk startte vermoedelijk omstreeks 1300. Men neemt aan dat deze toren allereerst als verdedigingswerk is gebouwd en met zijn voeten in de stadswal heeft gestaan. De kijkgaten in alle richtingen op alle geledingen van de toren wijzen daarop. We mogen overigens van geluk spreken dat de beschietingen in 1349 en 1575 de toren geen schade hebben berokkend. In 1601 vond een verbouwing plaats aan de toren. Er werd toen in het oostelijk dakvlak een dakkapel aangebracht, speciaal voor het klokkenspel.
Zo'n driekwart eeuw geleden werden er al in de jaren twintig reeds flinke onderhoudswerkzaamheden aan de toren gedaan, evenals in de periode 1954 - 1956. In het begin van de jaren zestig volgde een torenrestauratie, waarbij alle middeleeuwse onderdelen met respect werden hersteld. In 2000 was het wederom zover. In klein teamverband werd in een constructieve en plezierige sfeer samen met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gezocht naar de meest waarheidsgetrouwe oplossingen, handelend in de geest van weleer. De kosten van deze laatste renovatie bedroegen maarliefst ruim €500.000,00. Voor dit bedrag moet de toren, met uitzondering van klein onderhoud, zeker weer zo'n 40 jaar vooruit!
In de toren bevindt zich
de oorspronkelijke eiken klokkenstoel met vier luidklokken. De oudste
klokken dateren van 1500. Daarnaast heeft de toren reeds vanaf 1601 een
carillion. Dit
klokkenspel
werd, in navolging van vele steden die zichzelf respecteerden,
aangeschaft ook
al was de toren verre van een ideale
beiaardtoren. Vandaar de
oplossing om de speelklokken onder te brengen in een speciaal daarvoor gebouwde
uitbouw. Op die manier kon het geluid vrij uitklinken terwijl het zadeldak kon
worden behouden. In de Tweede Wereldoorlog
werd het eeuwenoude carillion, hoofdzakelijk afkomstig van de Utrechtse
klokkengieter Gerrit Both, door de bezetters gevorderd. Na de oorlog kon het
worden achterhaald, maar werd het als muzikaal onbruikbaar bestempeld en
opgeslagen. Het blijft echter in de kerkruimte opgesteld, omdat het deel
uitmaakt van het rijksmonument. Het oudste klokje, het zogeheten Vrouwenklokje,
is zelfs al in de veertiende eeuw gegoten!

De toren van onderaf gezien
In 1950 werd een nieuw gegoten carillion van
35 klokken aangeschaft. Dit werd in 1968 verder uitgebreid tot 49 klokken - dankzij
de vele giften van de eigen bevolking. Het carillion hangt sindsdien in de dakkapel aan de stadszijde
van de toren. Inwoners en bezoekers van Oudewater kunnen ieder kwartier van de
heldere en harmonieuze klanken genieten. Renovaties en aanpassingen aan dit
"nieuwe"
klokkenspel
volgden in 1964 - 1965 en in 1997. Bij de restauratie in 2000 is alleen de
staalconstructie geconserveerd. Heeft u de stadstoren wel eens van een andere
kant bekenen? Bijvoorbeeld van boven naar beneden? Het is aan te raden. Staat uw
conditie een fikse beklimming van de steile trappen niet in de weg, ga dan mee
met een torenbeklimming van de VVV Oudewater. U krijgt dan uitleg over de
geschiedenis van de stadstoren en - als beloning - het fraaie uitzicht over stad
en landelijke omgeving. Het is meer dan de moeite waard! De data van de
torenbeklimmingen worden bekendgemaakt in het huis-aan-huisblad De IJsselbode.
Of kijk op:
Door: P.G. Knol, Gemeente Oudewater,
"Stadstoren Oudewater als herboren";
Publicatie n.a.v. de restauratie van de stadstoren in 2000.